De wenende Borg

23 maart 2018

De Heere Jezus is op weg naar Jeruzalem. Hij zal in deze stad Zijn laatste Pascha vieren met Zijn discipelen voordat Hij overgeleverd zal worden. In Johannes 12 staat dat er een grote schare Hem tegemoet ging nadat zij hoorden van Zijn komst naar Jeruzalem. Hoor ze roepen: “Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren, Hij, Die is de Koning Israëls!” . O, wat een blijdschap bij het volk. Zij zagen er naar uit dat zij door Hem verlost zouden worden uit de overheersing van de Romeinen.
“En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar” (Lukas 19 vers 41),

Waarom weende Hij? Hoor Hem spreken; “Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen”.

Zijn gang naar Jeruzalem had een ander doel. Hij wenst dat het volk zou bekennen wat tot hun vrede nodig is. Geen tijdelijke vrede, de verlossing uit de macht van de Romeinen, maar verlost te mogen worden uit de macht van de satan. Een vrede die eeuwig durend is. Waar zien wij en onze kinderen naar uit? Naar tijdelijke vrede?

Wat spreekt het woordje “och of gij ook bekendet” van een onuitsprekelijke liefde en ontroering. De kanttekeningen zeggen hiervan: Namelijk op welken ik nu voor de laatste reis tot u kom, en u waarschuw, tot uw behoud en zaligheid.

Hij kwam niet naar de wereld, naar Jeruzalem: “opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden” (Joh. 3 vers 17). Om het behoud en de ware vrede van het volk moest Hij naar Jeruzalem om daar te lijden en te sterven. Hij moest de dood in om doden het leven te schenken. Na Zijn opstanding hebben de discipelen uit Zijn mond mogen horen: “vrede zij ulieden”. Voor deze ware vrede moest Hij de dood in!
Is het ons om die vrede te doen?

In Mattheüs 23 vers 37 staat: “Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild”. Wat is het goed en noodzakelijk om na te denken wat de Heere Jezus hier uitspreekt. Hij heeft het behoud van de mens, van Zijn Kerk op het oog. In deze weken mogen wij weer stil staan bij Zijn lijden en sterven, bij Zijn opstanding.

Wat zal het erg zijn als het voor ons en onze kinderen geldt: “en gijlieden hebt niet gewild”. Dat we met de dichter van Psalm 32 vers 5 zouden instemmen:

Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,
Of als een muil, door domheid voortgedreven;
Gebit en toom, door 's mensen hand bestierd,
Beteug'len 't woest en redeloos gediert';
Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen;
Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;
Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,
Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.

B. Paanstra



Terug naar het nieuwsoverzicht