Dankdag

2 november 2018

Volgende week woensdag hopen we samen met onze kinderen op te gaan naar Gods huis om met elkaar dankdag te houden. We mogen ons op deze bijzondere dag plaatsen rondom Gods geopende Woord. Het Woord mag nog geopend liggen op de kansels in Nederland. Dat Woord dat ons wijs kan maken tot zaligheid. Als we alleen al zien op het feit dat wij in vrijheid mogen opgaan naar Gods huis, ook op de dankdag, dan is dat al reden tot dankbaarheid. Daarnaast mogen onze kinderen nog onderwijs ontvangen op scholen waar nog in vrijheid Gods Woord geopend mag worden. Dit wordt ons door de Heere in Nederland nog gegeven ondanks al onze ongerechtigheden. We mogen onze kinderen nog vormen en laten vormen tot zelfstandige persoonlijkheden die leven naar Gods Woord. Reden tot dankbaarheid. Als school hebben we, ondanks alle zorgen op de arbeidsmarkt, toch alle vacatures kunnen vervullen. Daarnaast mogen we voor ons dagelijks leven elke dag veel uit Gods hand ontvangen. We mogen als kerk, ouders en school rondom onze kinderen staan. De dichter, dit alles overziende, stelt dan de bekende vraag: Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen? De dichter spreek over weldaden. Een weldaad is iets wat we onverdiend ontvangen. Als we naast de volmaaktheid van de schepping in Genesis 1 en 2 de val in Adam van Genesis 3 plaatsen dan is alles wat wij meer ont-vangen dan de dood een onverdiende weldaad. Wat is er dan een reden tot dankbaarheid! De dichter beseft echter dat de dankbaarheid van nature niet in ons wordt gevonden en heeft daar-bij de Heere nodig. De kanttekeningen geven bij vergelden aan: “Al Zijn weldaden zijn boven mij, dat is, boven mijn vermogen om te vergelden”. Dat we dan met de dichter van Psalm 147 vers 1 en 4 in de Heere mogen eindigen:

Laat 's HEEREN lof ten hemel rijzen;
Hoe goed is 't, onzen God te prijzen!
't Betaamt ons, psalmen aan te heffen,
Die lieflijk zijn, en harten treffen.
De HEER wil ons in gunst aanschouwen;
Hij wil Jeruzalem herbouwen;
Vergâren en in vreê doen leven,
Hen, die uit Isrel zijn verdreven.

B. Paanstra



Terug naar het nieuwsoverzicht