Advent

7 december 2018

Wat is onze verwachting? Advent betekent “verwachten”. Waar ziet u, waar zien wij naar uit?

Zien wij uit naar wat de wereld ons biedt of zal bieden? Koning Salomo zegt daarvan: “het is al ijdelheid”. Met deze verwachtingen komen we om, daarmee gaan we verloren. Koning David beschrijft in Psalm 39 de betrekkelijkheid van alles wat de wereld bieden kan. Hij zegt: “Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdellijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal”. Hij stelt zichzelf daarna een belangrijke vraag en wat is het nodig dat dat ook onze persoonlijke vraag is: “En nu, wat verwacht ik, o HEERE!”

Zien wij uit naar Zijn komst in ons hart? Zonder dat kunnen wij God niet ontmoeten. Wij hebben een Borg nodig voor onze ziel. Is ons uitzien zoals de profeet Habakuk beschrijft in Habakuk 2: 3; “zo Hij vertoeft, verbeid Hem”?. Zien wij naar Zijn komst uit en moeten wij Hem nog missen? Dan moeten wij Hem verbeiden. Verbeiden is verwachten. Niet lijdelijk, met de armen over elkaar, maar biddend uitzien en verlangen naar Zijn komst! De nood moet opgelost worden! Wat is het nodig dat de Heere ons de nood van ons leven doet inzien. Wat is het met de geboorte van de Heere Jezus waar geworden wat de profeet Habakuk in de bovengenoemde tekst vervolgt: “want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven”. Hij is gekomen, op Gods tijd. Gewisselijk komen betekent volgens de kanttekeningen: komende komen. Let dan goed op het woord “komende”. Dat betekent dat Hij van eeuwigheid bezig was te komen. Het was Christus zelf die in de nooit begonnen eeuwigheid gezegd heeft: “Zie, Ik kom”. Zijn ja is ja. Wat is het nodig dat het ons gebed is of Hij, De Zaligmaker, ook voor ons, voor onze kinderen gekomen is. Vertolkt de dichter van Psalm 40 vers 1 ons hart? Dan is het advent in ons leven geweest. Als dat nog niet zo is, dat het onze bede mag zijn of dat ons uit genade ons gegeven mag worden.

'k Heb lang den HEER in mijnen druk verwacht,
En Hij heeft zich tot mij geneigd;
Ik riep, door nood op nood bedreigd,
Hij gaf gehoor aan mijne jammerklacht.
Mij, in den kuil verzonken,
Mij heeft Hij hulp geschonken,
Gevoerd uit modd'rig slijk; Mij op een rots gezet,
Waar ik, met vasten tred, Die jammerkolk ontwijk.

B. Paanstra



Terug naar het nieuwsoverzicht