Tussen Hemelvaart en Pinksteren

7 juni 2019

De discipelen krijgen van de Heere Jezus een opdracht; “maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte”. Na Zijn hemelvaart hebben zij gehoor gegeven aan deze opdracht. Hoe verbleven zij deze tien dagen in Jeruzalem? Daar heeft de apostel Lukas van geschreven in Lukas 24 vers 52 en 53; “en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap. En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God”. In Handelingen 1 vers 14 schrijft dezelfde apostel; “Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken”. Dat betekent dat er onderling een heilige liefde was en dat zij zonder twist en tweedracht gedurig in gebed waren.

Hoe is dat bij ons? Ook wij verkeren tussen Hemelvaart en Pinksteren. Kan het ook van ons gezegd worden dat wij Gods heilig aangezicht gedurig zoeken in het gebed? Dat wij daarin volharden? Is er onder ons ook een heilige liefde? Krijgt Hij ook de eer die Hij zo waardig is zoals bij de discipelen? Zien wij uit naar het ontvangen van Gods Geest?

De Heere Jezus heeft Zelf de discipelen voorgehouden hoe noodzakelijk de werking van Gods Geest is. Luister maar: “En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel: van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; en van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en gij zult Mij niet meer zien; en van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is”.

Wat is dat voor ons en onze kinderen noodzakelijk, dat wij ontdekt worden aan onze schuld. Dat het rechtvaardig is dat Hij aan ons voorbij zou gaan. Wat is het dan ook nodig dat wij met onze kinderen onze knieën buigen en vragen om Zijn genade. Dat het ons gedurig gebed mag zijn of de Heere door Zijn Geest de verdienste van Christus ook in ons hart zou willen toepassen. Buiten Zijn zo duur gekochte genade kunnen wij niet! In de opperzaal van Jeruzalem klonk het :

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen;
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;
Is z' als de pen van één, die vaardig schrijft.
Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven,
Gaat al het schoon der mensen ver te boven;
Genâ is op uw lippen uitgestort,
Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.

Mogen wij met de discipelen instemmen?

B, Paanstra



Terug naar het nieuwsoverzicht